Vlaamse Vereniging voor Neuropsychologie (VVNP)

Home » Interuniversitaire postacademische/permanente vorming Klinische Neuropsychologie.

Specialisatie opleiding

Getuigschrift van permanente vorming in de Klinische Neuropsychologie

9

Inleiding

Welkom op de site van de interuniversitaire postacademische/permanente vorming Klinische Neuropsychologie.

Deze 2-jarige universitaire vorming in de Klinische Neuropsychologie wordt georganiseerd door de Vlaamstalige universiteiten van Brussel, Gent en Leuven in samenwerking met de Vlaamse Vereniging voor Neuropsychologie (VVNP). Met dit initiatief komen we tegemoet aan een reeds jarenlange verzuchting vanuit het professionele veld naar een academische specialisatieopleiding inzake klinische neuropsychologie.

Via de navigatie vindt U alle relevante informatie inzake toelatingsvoorwaarden, inschrijvingsmodaliteiten en studieprogramma.

De volgende 2-jaarlijkse interuniversitair georganiseerde permanente vorming Klinische Neuropsychologie vangt aan in het academiejaar 2021-2023  en wordt aan de  KU Leuven georganiseerd.

Aankondiging voor kandidatuurstelling : actief.

Meer informatie vindt u onder Inschrijving en op de volgende sites.

9

Doelstelling

De postacademische/permanente vorming in de klinische neuropsychologie heeft tot doel de kennis en de vaardigheden van de deelnemers op het vlak van de klinische neuropsychologie te verbreden en te verdiepen.
 
Hiertoe wordt de student onderwezen in de basisbegrippen van de fundamentele neurowetenschappen en de basisprincipes van het neuropsychologisch onderzoek en de cognitieve revalidatie bij kind en volwassene. Gebaseerd op deze kennis wordt de functionele anatomie van verschillende cognitieve functies behandeld alsook de belangrijkste stoornissen die zich hierbij kunnen voordoen. Hierbij komen de diagnostiek, de behandeling en de begeleiding van de onderscheiden pathologie aan bod.

Vervolgens worden de neuropsychologische aspecten van specifieke neurologische, psychiatrische als levensloop bepaalde stoornissen behandeld. Klinische context, deontologische, medico-legale en forensische aspecten komen eveneens aan bod.
De postacademische/permanente vorming in de klinische neuropsychologie wordt interuniversitair georganiseerd door de deelnemende universiteiten. Elke cyclus loopt over twee academiejaren; tijdens het tweede studiejaar van elke cyclus kunnen er zich geen nieuwe studenten voor de betrokken postacademische/permanente vorming inschrijven.

De deelnemende universiteiten treden beurtelings op als coördinerende instelling.

9

Structuurplan

De verschillende thema’s zijn genummerd van 1 tot 48 en gegroepeerd in opleidingsonderdelen. Bij elk thema hoort een korte beschrijving van de voornaamste inhouden die hierbij aan bod moeten komen. Er volgt, indien relevant, ook een verwijzing naar verwante thema’s zodat de docenten redundantie kunnen vermijden.

De werkzaamheden worden gepland op 28 vrijdagen gespreid over 2 opeenvolgende academiejaren. Deze werkzaamheden omvatten het volgen van een aantal lessen over belangrijke neuropsychologische thema’s en het schrijven van een eindwerk.

De lessen worden gepland op 14 vrijdagen in het eerste en 10 vrijdagen in het tweede academiejaar, zodat voor de totale opleiding 24 lesdagen zijn voorzien. De tijd die voorzien is voor elk thema bedraagt een voormiddag (van 9u30 tot 12u30) of een namiddag (van 13u30 tot 16u30). De voor- of namiddag wordt onderbroken door een korte pauze van een 20-tal minuten. De docent dient ervoor te waken zijn thema binnen de voorziene tijd te kunnen afronden.

Het cursusboek bestaat uit een documentatiemap waarin de docenten per thema één welgekozen en op voorhand aangeleverd (zodat we het tijdig kunnen kopiëren) overzichtsartikel ter beschikking van de studenten te stellen. Naast dit overzichtswerk kunnen de docenten per thema bijkomende documentatie aanleveren in de vorm van een kort bibliografisch overzicht van relevante boeken en artikels, relevante internet-adressen, en de gebruikte documentatie tijdens de colleges.

Enkele vrijdagen in het tweede academiejaar zijn gereserveerd voor het eindwerk. Ze bieden de student de gelegenheid aan een eindpaper te werken, opzoekingswerk te doen en met de promotor hierover te overleggen. De thema’s voor het eindwerk worden aan het eind van het eerste jaar in overleg met de promotor gekozen. Studenten die reeds in het klinische veld werkzaam zijn dienen een gevalsstudie kritisch uit te werken in het licht van de bestaande literatuur. Studenten die geen toegang hebben tot klinische gegevens dienen een literatuurstudie uit te voeren over een klinisch neuropsychologisch thema. Het is de bedoeling dat de student aan het eind van de opleiding een korte presentatie geeft over dit eindwerk.

Voorwaarden voor het behalen van het postacademische getuigschrift

Studenten die op regelmatige basis de lessen hebben bijgewoond (d.i. aanwezigheid gedurende tenminste 80% van de lessen inclusief gewettigde afwezigheid) en die het eindwerk hebben ingediend, worden toegelaten tot het eindexamen aan het eind van de twee-jarige cyclus. Op dit eindexamen dient de student een aantal vragen te beantwoorden die peilen naar de tijdens de cyclus verworven kennis. Deze vragen worden door de examencommissie geselecteerd uit een door de docenten opgestelde lijst van vragen dewelke de studenten ruim voor het examen ter beschikking wordt gesteld.

De eindevaluatie wordt deels gebaseerd op de quotering voor het eindwerk (50%) en deels op de quotering van het eindexamen (50%). Indien de student voor beide onderdelen geslaagd is (d.i. voor elk onderdeel tenminste 50% van de maximale score behaalt) ontvangt de student het interuniversitair postacademische getuigschrift van permanente vorming in de klinische neuropsychologie.

Studiebelasting en studiepunten

Het aantal studiepunten over de 2-jarige vorming bedraagt 60, waarvan 48 studiepunten voor de opleidingsonderdelen verdeeld over de themalessen en 12 studiepunten voor het eindwerk.

9

Programma

Thematisch overzicht

 

Opleidingsonderdelen Studiepunten
Historische context en methodologische aspecten 4
Fundamentele neurowetenschappen 4
Functionele neuroanatomie 5
Neuropsychologische stoornissen 10
Neuropsychologische aspecten van neurologische stoornissen 7
Neuropsychologische aspecten van psychiatrische stoornissen 2
Neuropsychologische aspecten van stoornissen bij kind en adolescent 7
Neuropsychologische aspecten van de veroudering 3
Deontologische, medico-legale en forensische aspecten 2
Klinische context en hulpbronnen 4
Eindwerk 12
TOTAAL 60

Naast deze thema’s worden er ook Casuïstiek-lessen voorzien.

Historische context en methodologische aspecten

1. Neuropsychologie in historisch perspectief: Verleden, heden en toekomst. Overzicht van de geschiedenis van de neuropsychologie, met inbegrip van haar epistemologie en een kritische analyse van de verschillende neurofilosofische standpunten.

2. Basis concepten en principes van het diagnostisch neuropsychogisch onderzoek. Soorten doelstellingen, randvoorwaarden, contra-indicaties, fasen van het onderzoeksproces, overzicht van de diagnostische middelen (pen-en-papier tests, computer geassisteerd testen, dichotische luistertests, functionele beeldvorming), plaats van de neuropsycholoog in het multidisciplinair team. (Opgelet! Specifieke diagnostische tests worden besproken in de thema’s 14 tot 23, het gaat hier enkel over een algemeen overzicht).

3.  Methodologische en statistische fundamenten van het neuropsychologisch onderzoek. Overzicht van de voornaamste psychometrische concepten waaronder betrouwbaarheid, validiteit, meetfouten, normaalverdeling, criterium-gebaseerd meten, waarschijnlijkheidstheorie, single-case analyse.

4.  Principes van cognitieve revalidatie en mechanismen van hersenplasticiteit, WHO definities van handicap, beïnvloedende factoren en randvoorwaarden, overzicht van de verschillende benaderingen en technieken bij cognitieve revalidatie, het begrip cognitieve reserve, de mechanismen van hersenplasticiteit en het concept functionele reorganisatie.

Fundamentele neurowetenschappen

5. Basisbegrippen neuroanatomie en structurele beeldvorming van de hersenen. Algemene structuur van het menselijk zenuwstelsel, macro-anatomie van de hersenen, ontwikkeling en structuur van de neocortex, limbisch systeem, basale ganglia, cerebellum. Structurele beeldvormingstechnieken en hun relevantie voor diagnose en behandeling.

6.  Basisbegrippen neurofysiologie en neurobiochemie. Mechanismen van intra- en interneuronale communicatie, neurotransmitters, het begrip neurovasculaire eenheid en koppeling, bloed-hersen barrière.

7. Basisbegrippen neurogenetica. Inleiding in de principes van moleculaire genetica (met voorbeelden uit de klinische praktijk, bv. Ziekte van Alzheimer, dyslexie), kritische analyse van gen-omgeving (nature-nurture) discussie, overzicht van de in de gedragsgenetica gebruikte methoden zoals tweeling- en adoptiestudies en hun toepassingen (bv. IQ). (34)

8.  Basisbegrippen functionele beeldvorming van de hersenen. Doelstellingen en algemene principes van functionele beeldvorming, overzicht van de verschillende technieken met hun mogelijkheden en beperkingen (PET, SPECT, fMRI, fTCD, NIS, TMS), paradigma-ontwikkeling, analyse technieken (5).

Functionele neuroanatomie

9. Neurobiologie van de slaap en waaktoestand. Overzicht van de hersenstructuren en neurotransmittersystemen betrokken bij de slaap-waak regulatie. Het reticulair activerend systeem, de hypothalamus en het ‘flip-flop’ systeem. Beknopt overzicht van de slaap-waakstoornissen bij neurodegeneratieve aandoeningen. REM-sleep behavior stoornis bij hersenstam aandoeningen. (15, 23)

10.  Functionele neuroanatomie van geheugen en leren. Een cognitief-psychologisch model van leren en geheugen, de anatomische basis en hersencircuits van verschillende soorten leren en geheugen. (16, 40, 41)

11. Functionele neuroanatomie van taal en spraak. Een cognitief-psychologisch model van taalproductie en –verwerking, de anatomische basis van taal en spraak, functionele neuroanatomie van normaal taalfunctioneren. (18, 19, 37, 38).

12.  Functionele neuroanatomie van emotie. Een cognitief-psychologisch model van emotie (i.h.b. angst), hersenstructuren geassocieerd met emotioneel gedrag, een neuro-anatomisch circuit van emotie. (6, 22, 31, 42)

13.  Functionele neuroanatomie van gedragscontrole en executieve processen. Wat zijn executieve functies, anatomie, connectiviteit en neuropsychologie van de prefrontale cortex, integratie met andere hersenstructuren, een neurofunctioneel model van executie en gedragscontrole. (20)

Neuropsychologische stoornissen

14. Stoornissen in de waarneming en het voorstellingsvermogen. Inleiding in de zintuiglijke waarneming en het mentale voorstellingsvermogen, overzicht van de auditieve, tactiele en visuele herkenningsstoornissen, overzicht van de diagnostische middelen, de impact van deze stoornissen op andere cognitieve functies, spontaan herstel en behandelingsmogelijkheden.

15.  Stoornissen van de aandacht. Overzicht van de verschillende aandachtsstoornissen. Overzicht van de verschillende manieren om aandachtstekorten te bevragen en te objectiveren m.i.v. psychometrische tests, het komen tot een juiste beschrijving en diagnose van de aandachtsstoornissen, het effect van aandachtstekorten op de overige cognitieve functies en de klinische relevantie ervan voor het dagelijks leven, het natuurlijk herstel en de mogelijkheden tot revalidatie van aandachtsstoornissen. (9, 25, 36)

16.  Stoornissen van geheugen en leren. Overzicht van het geheugenonderzoek m.i.v. de klinische bevraging het gebruik van vragenlijsten en de cognitieve geheugentests, aandacht voor maligneren, het komen tot een juiste beschrijving en diagnose van de geheugenstoornis, het effect van geheugentekorten op de overige cognitieve functies en de klinische relevantie ervan voor het dagelijks leven, het natuurlijk herstel en de mogelijkheden tot revalidatie van geheugenstoornissen. (10, 40, 41)

17.  Stoornissen van visuospatiële en visuoconstructieve functies. Overzicht van de stoornissen m.b.t. de hogere visuospatiële verwerking en visuoconstructieve vaardigheden, overzicht van de diagnostische hulpmiddelen, spontaan herstel en aangrijpingspunten voor revalidatie. (14, 23)

18.  Verworven taalstoornissen. Overzicht van de symptomen en syndromen van verworven auditieve taalstoornissen, overzicht van de diagnostische instrumenten, het komen tot een juiste beschrijving en diagnose van de auditieve taalstoornis, het effect van auditieve taalstoornissen op de overige cognitieve functies en de klinische relevantie ervan voor het dagelijks leven, het natuurlijk herstel en de mogelijkheden tot revalidatie. (11, 19, 37, 38)

19.  Verworven lees-, schrijf-, en rekenstoornissen. Overzicht van de symptomen en syndromen van verworven visuele taalstoornissen inclusief acalculie, overzicht van de diagnostische instrumenten, het komen tot een juiste beschrijving en diagnose van de visuele taalstoornissen en acalculie en de klinische relevantie ervan voor het dagelijks leven, het natuurlijk herstel en de mogelijkheden tot revalidatie. (11, 18, 37, 38)

20.  Stoornissen van de gedragscontrole en executieve functies. Beschrijving van de symptomen van executieve stoornissen en verlies van gedragscontrole en hun impact op het dagelijks leven, overzicht van het diagnostisch instrumentarium, het natuurlijk herstel en de therapeutische mogelijkheden. (13, 32)

21.  Stoornissen van de willekeurige beweging. Overzicht van de verschillende stoornissen van de willekeurige beweging (m.i.v. de ataxieën, apraxieën) alsook van de gestoorde willekeurige controle over de motoriek (m.i.v. motor neglect, imitatie- en utilisatiegedrag), overzicht van de diagnostische mogelijkheden, aangrijpingspunten voor behandeling. (23).

22.  Emotionele stoornissen. Bijdrage van de neurologische, psychologische en psychosociale factoren in het ontstaan van emotionele stoornissen van de hersenbeschadigde patiënt, overzicht van de klassieke emotionele stoornissen na hersenbeschadiging, de evaluatie van emotionele stoornissen met een overzicht van de verschillende diagnostische hulpmiddelen, het spontaan verloop en de behandeling van emotionele stoornissen i.h.b. de anosognosie. (12, 31, 42).

23. Stoornissen van de sensomotorische integratie, lichaamsrepresentatie en neglect. In deze module gaat de aandacht naar de stoornissen die ontstaan wanneer zowel lager-orde als hoger-orde functies of niet-integratieve en integratieve functies tegelijkertijd getroffen worden. Hieruit lijkt dat het geheel meer is als de soms van de aparte functiestoornissen. Zo zien we hoe multimodale functiestoornissen de motoriek en houding van patiënten kan beïnvloeden. Bij het neglect ‘syndroom’ zien we bijvoorbeeld hoe de attentie en intentie van gedrag beïnvloed wordt. Ook de constructie van een posturaal lichaamsschema kan enkel door een adequate sensori-motorische integratie. Stoornissen hierin kunnen leiden tot beelden die vrij nieuw zijn in het domein van de neurowetenschappen, denk maar aan het Contraversief Pusher Syndroom. Ook in de behandeling zien we dat de invalshoeken kunnen komen van zowel de cognitieve als de bewegingsneurowetenschappen. Denk maar aan de effecten van transcutane elektrische zenuwstimulatie (TENS) op de expressie van hemispatiaal neglect. In de ontwikkelingsneurologie zien we dat de introductie van de term ‘psychomotoriek’ ook refereert naar de hoger-orde sensori-motorische integratie. (14, 17, 21)

Neuropsychologische aspecten van neurologische aandoeningen

24. Neuropsychologische aspecten van cerebrovasculaire aandoeningen. Overzicht van de voornaamste cerebrovasculaire stoornissen en hun neuropsychologische presentatie m.i.v. transient ischemische aanvallen (TIA), cerbrovasculair accident (CVA), vasculaire dementie. Overzicht van medische behandelingsmogelijkheden en cognitieve revalidatie. (4, 5, 25)

25.   Neuropsychologische aspecten van hoofdletsel en traumatische hersenschade, met inbegrip van coma. Overzicht van de traumatologische terminologie, neuropsychologische presentatie van de verschillende types traumatische hersenschade, overzicht van de neurologische, psychologische en psychosociale beïnvloedende factoren, natuurlijk verloop en revalidatiemogelijkheden. (4, 5, 9, 24)

26. Neuropsychologische aspecten van demyeliniserende aandoeningen. Overzicht van de epidemiologie, pathofysiologie en klinisch neurologische presentatie van multiple sclerose en verwante demyeliniserende aandoeningen, neuropsychologisch profiel van de aandoening en diagnostisch instrumentarium. Overzicht van de medische en neuropsychologische interventiemogelijkheden. (4, 5)

27.  Neuropsychologische aspecten van epilepsie. Overzicht van de epidemiologie, pathofysiologie, klinisch neurologische presentatie en behandeling van de verschillende epileptische aandoeningen bij kind en volwassene m.i.v. de diagnostische middelen, neuropsychologisch profiel van de aandoeningen, verloop van de aandoening i.h.b. met betrekking tot de cognitie en de effecten van medicatie. Overzicht van de verschillende behandelingsmogelijkheden en overzicht van het prechirurgisch protocol i.h.b. technieken voor taallateralisatie en geheugenintegriteit, postchirurgische opvang en verloop. (10, 16)

28.  Neuropsychologische aspecten van tumorale, infectieuze en inflammatoire hersenaandoeningen. Overzicht van de tumoren en hun neuropsychologische implicaties. Overzicht van de virale, bacteriële en parasitaire infecties bij kind en volwassene m.i.v. AIDS, virale vormen van encephalitis, syfilis, malaria, ziekte van Lyme en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, alsmede hun neuropsychologisch profiel en overzicht van de medische en neuropsychologische behandelingsmogelijkheden. (5, 6)

29. Neuropsychologische aspecten van toxische blootstelling. Overzicht van de verschillende neurotoxines en hun acute en chronische effecten op het gedrag en de cognitie m.i.v. blootstelling aan lood, organische solventen, pesticiden, alcohol en drugs. Kritische bespreking van de diagnose Organisch Psychosyndroom (OPS). Overzicht van de cognitieve tekorten ten gevolge van onvrijwillige of vrijwillige nutritionele tekorten (5, 6, 31)

30. Medische neuropsychologie: Neuropsychologische aspecten van somatische aandoeningen. Overzicht van de verschillende somatische aandoeningen en hun potentieel effect op de hersenen en de cognitie m.i.v. hart- en longziekten (m.i.v. slaapapneu), kanker, metabole aandoeningen, leverziekten, nierziekten en de behandeling ervan. (5)

Neuropsychologische aspecten van psychiatrische aandoeningen

31. Neuropsychologische aspecten van psychiatrische aandoeningen en hun behandeling, i.h.b. depressie. Overzicht van de verschillende psychiatrische stoornissen met erkende cognitieve effecten m.i.v. angststoornissen, anorexia nervosa, depressie, somatoforme stoornissen en de post traumatische stress stoornis, inzicht in de diagnostische hulpmiddelen en criteria, behandeling en verloop. (9, 12, 22, 32, 42)

32.  Neuropsychologische aspecten bij psychotische stoornissen, i.h.b. schizofrenie. Overzicht van de verschillende psychotische beelden (i.h.b. schizofrenie) en de mogelijke oorzaken, inzicht in de diagnostische hulpmiddelen en criteria, behandeling en verloop, overzicht van de geassocieerde cognitieve stoornissen en hun aanpak. (14, 23, 31)

Neuropsychologische aspecten van stoornissen bij kind en adolescent

33.  Neuropsychologische gevolgen van ante- en perinatale problematiek. Neuropsychologische gevolgen van ante- en perinatale problemen waaronder asfyxie, zeer laag geboortegewicht, het foetaal alcohol syndroom, toxoplasmose, geboortetraumata en ‘battered child’ syndroom. (5, 6)

34.  Neuropsychologische aspecten van genetische aandoeningen. Neurobiologische factoren van mentale retardatie met een overzicht van de belangrijkste syndromen m.i.v. cretinisme, syndroom van Down, Fragile X-syndroom, Prader-Willi syndroom, syndroom van Turner en syndroom van William, aspecten van behandeling en begeleiding bij kinderen met aangeboren beperkingen. (7)

35.  Neuropsychologische aspecten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Classificatie van de pervasieve ontwikkelingsstoornissen, epidemiologie en klinische presentatie van autisme en gerelateerde stoornissen, neuropsychologisch profiel, diagnostische hulpmiddelen en behandeling. (7, 34)

36. Neuropsychologische aspecten van Attentional Deficit/Hyperactive Disorder. Definitie, epidemiologie en etiologie van AD/HD, ontwikkeling van AD/HD in kinderleeftijd, adolescentie en volwassenheid, het neuropsychologisch profiel en diagnostische aspecten, farmacologische en gedragstherapeutische behandeling van AD/HD, de cognitieve effecten van psychostimulantia bij het kind met en zonder AD/HD. (9, 15, 33)

37.  Neuropsychologische aspecten van taalstoornissen bij kinderen. Definitie, epidemiologie en etiologie van de verbale en nonverbale leerstoornissen m.i.v. dyslexie en dysgrafie, de impact van verworven taalstoornissen op de verbale leerfuncties, het neuropsychologisch profiel, diagnostische aspecten, en behandeling. (11, 18, 19)

38.  Neuropsychologische aspecten van leerstoornissen bij kinderen. Definitie, epidemiologie en etiologie van de ontwikkelingsleerstoornissen m.i.v. tekorten in de visuospatiële ontwikkeling en dyscalculie, het neuropsychologisch profiel, diagnostische aspecten, en behandeling. (10, 17, 37)

39.   Neuropsychologische aspecten van metabole en neurodegeratieve aandoeningen bij kinderen. Overzicht van de neurobiologische factoren van metabole en neurodegeneratieve aandoeningen waarbij de hersenfuncties door het verloop van de ziekte worden aangetast; m.a.w. een neurodegeneratief type dementie-patroon bij kinderen met chronische ziektebeelden zoals leukodystrofieën, mucopolysaccharidosis m.i.v. het neuropsychologisch profiel en aspecten van behandeling en begeleiding. (7, 34)

Neuropsychologische aspecten van de veroudering

40. Neuropsychologische aspecten van de ziekte van Alzheimer en aanverwante neurodegeneratieve aandoeningen. Overzicht van de epidemiologie, pathofysiologie en klinisch neurologische presentatie (subtypes) van de ziekte van Alzheimer, neuropsychologisch profiel van de aandoening en verschillen met andere corticale degeneratieve beelden zoals de fronto-temporale dementie. Overzicht van de medische en neuropsychologische interventiemogelijkheden. (10, 16, 42)

41.   Neuropsychologische aspecten van de ziekten van Parkinson en Huntington en aanverwante neurodegeneratieve aandoeningen. Overzicht van de epidemiologie, pathofysiologie en klinisch neurologische presentatie van de ziektes van Parkinson en Huntington, neuropsychologisch profiel van de aandoening en verschillen met andere subcorticale degeneratieve beelden. Overzicht van de medische, chirurgische en neuropsychologische interventiemogelijkheden. (7, 10, 40, 42)

42.   Neuropsychologie in het gerontopsychiatrisch werkveld. Specifieke vraagstukken aangaande de neuropsychologische aspecten van het gerontologisch handelen m.i.v. angst, apathie, eenzaamheid, polyfarmacologie en de differentiaal diagnose depressie/dementie. (31, 40, 41)

Deontologische, medico-legale en forensische aspecten

43.  Het statuut van de neuropsycholoog in België en de wereld, m.i.v. de deontologie. Korte geschiedenis van het statuut van de (neuro)psycholoog in Vlaanderen en België, vergelijking met de situatie in de ons omringende landen en de wereld, overzicht van de verschillende belangengroepen en organisaties, deontologische aspecten van de (neuro)psychologische professie. (1)

44.   Medico-legale en forensische aspecten van de neuropsychologie. Bespreking van het statuut van psycholoog in Vlaanderen en België in medico-legale context, de waarde en het belang van een neuropsychologisch oordeel in civiele en criminele rechtspraak, opbouw van een neuropsychologisch expert dossier, kennismaking met relevante concepten en standpunten aangaande betwistingen vanuit het verzekeringswezen en terzake relevante overheidsfondsen (OCMW, RIZIV, Fonds voor Beroepsziekten).

Klinische context en hulpbronnen

45.  Farmacologische impact op cognitieve functies. Overzicht van de belangrijkste farmacologische categorieën die een potentiële invloed op het cognitief presteren kunnen hebben. Met aandacht voor de aard en grootte van dit effect alsook de mogelijke farmacokinetische principes in de neurotransmissie en neuromodulatie die eraan ten grondslag liggen. (6)

46.  Klinisch neurologisch onderzoek en aanverwante paraklinische onderzoeken relevant voor de neuropsychologische praktijk. Grondige studie van het klinisch neurologisch onderzoek: verloop, technieken en interpretatie, kort overzicht van de beeldvormingstechnieken met nadruk op de klinische desiderata en relevantie, overzicht van overige paraklinische onderzoeken m.i.v. angiografie, electro-encephalografie, geëvokeerde potentialen, Doppler ultrasonografie en lumbale punctie. (5, 6, 7, 8)

47. Psycho-educatie en begeleiding van patiënt en familie met een neuropsychologische problematiek. Structuratie van feedback over de neuropsychologische bevindingen aan de patiënt en familie, aspecten van prognose en aanpak, gebruik van illustratief materiaal en klare taal, het overbrengen en verwerken van slecht nieuws, omgaan met emotionele reacties m.i.v. coping en rouw, organisatie van de mantelzorg in Vlaanderen met overzicht van de hulpbronnen en –organisaties voor patiënten en hun familie (4, 42)

48.   Neuropsychologie en het internet. Zoeken van tijdschriften en elektronische tijdschriften, het goed gebruik van algemene en specifieke zoekmachines: trucjes en booleaanse logica, de websites van belangrijke neuropsychologische verenigingen en wat er te vinden, hersenatlassen, medische beeldbanken, discussiegroepen.

9

Eindwerk

De student dient een eindwerk te maken (literatuurstudie, casus of experiment) rond een zelfgekozen topic dat in een paper moet worden voorgesteld. Hij/zij mag hiervoor circa 5000 woorden gebruiken (exclusief titel, abstract, figuren, tabellen en referenties). In het eindwerk moet de student de lessen duidelijk integreren. De bedoeling is dat er zelfstandig wordt gewerkt. Het eindwerk wordt in het Nederlands of Engels geschreven, rekening houdend met APA-guidelines (American Psychological Association). De student hanteert een sobere, correcte taal in overzichtelijke en niet al te ingewikkelde zinnen. De voorkeursspelling wordt gehanteerd en de tekst moet worden gecontroleerd op stijl-en typfouten. Het eindwerk moet in tweevoud worden ingediend. Studenten die niet geslaagd zijn in het eindwerk, krijgen de mogelijkheid om het werk te herwerken en in te dienen voor begin augustus. Het eindwerk moet worden gezien als een waardevolle bijdrage aan het curriculum vitae van de student.

Iedere student krijgt een promotor aangeduid die zal instaan voor de directe begeleiding van de student. Concreet wil dit zeggen dat de student een overlegmoment krijgt om de werktitel, het onderwerp, de doelgroep, hypothese en statistische verwerking te bespreken. Indien nodig kan de student een tweede overlegmoment aanvragen bij de promotor. Ook beperkt emailcontact is mogelijk. In de jaarplanning werden enkele dagen voorzien voor het maken van het eindwerk. We verzochten de promotoren zoveel mogelijk rekening te houden met deze data om de gesprekken met de studenten te plannen. Het is de verantwoordelijkheid van de student om contact op te nemen met de promotor in de loop van oktober.

Naast een begeleider werd er ook per student een “commissaris” aangeduid die het eindwerk zal lezen en beoordelen. Deze commissaris werd zoveel mogelijk gekozen uit een lijst van lesgevers van het afgelopen en komende jaar, uiteraard in overeenstemming met het gekozen onderwerp van de student. De promotor en de commissaris evalueren het eindwerk op inhoud en vorm. Beoordelingscriteria voor de inhoud: inzicht in en helderheid van de vraagstelling, adequaatheid van de gebruikte bronnen, de exactheid in de beschrijving van de methodologie, adequaatheid van de statistische analyse, juistheid van de gegeneerde resultaten. Te beoordelen vormelementen: taal, typografie en illustratie (tabellen en figuren). Zowel de promotor als de commissaris quoteren het eindwerk op 20 en het gemiddelde van hun scores levert de beoordeling van het eindwerk. De student dient het eindwerk niet mondeling voor te stellen.

9

Examen

Iedere lesgever wordt gevraagd om 2 open examenvragen op te stellen. Over de 2 jaren gespreid zal dit ongeveer 100 examenvragen opleveren die de kerninformatie uit de opleiding bevatten. Uit deze 100 vragen selecteert de stuurgroep 40 vragen, gespreid over de verschillende behandelde domeinen, die de basis vormen voor het examen.

We selecteren opnieuw 20 vragen in het tweede jaar waardoor we op een totaal van 40 vragen komen waaruit vervolgens de 5 examenvragen worden geselecteerd. Tijdens het examen zal de student dus 5 vragen krijgen waaruit hij/zij er 3 vrij mag kiezen om op te lossen.

Studenten die niet slagen in eerste zit, krijgen de mogelijkheid om hun examen opnieuw te doen in de 2de zittijd.
Studenten die noch in eerste noch in tweede zit slagen, ontvangen een deelnamecertificaat waarop zal worden vermeld dat zij de lessen hebben gevolgd maar verder niet voldeden aan de voorwaarden voor het behalen van het getuigschrift.

9

Voorwaarden

Tot de postacademische/permanente vorming worden enkel houders van de ondervermelde diploma’s van master (of in de oude structuur “licentiaat”) van minstens 60 studiepunten toegelaten.

Volgende diploma’s verlenen toegang tot de postacademische/permanente vorming:

(a) diploma’s “oude structuur”:
• Licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen;
• Licentiaat in de psychologie;
• Licentiaat in de pedagogische wetenschappen;

(b) diploma’s “nieuwe structuur”:
• Master in de psychologie;
• Master in de pedagogische wetenschappen.

9

Inschrijven

Inschrijvingsmodaliteiten cyclus 2021-2023

Alle kandidaten die aan de toelatingsvoorwaarden voldoen dienen hun kandidatuur SCHRIFTELIJK in te dienen vanaf 1 februari 2021 en ten laatste voor 1 juni 2021 ter attentie van Prof. Dr. C. Lafosse

Adres:

Prof. Dr. C. Lafosse
Paramedisch en Wetenschappelijk Directeur
Revalidatieziekenhuis RevArte
Drie Eikenstraat 659
2650 Edegem

T +32 (0)3 210 6090
M +32 (0)475 766182
e-mail: christophe.lafosse@revarte.be

 

Per brief zullen kandidaten hun deelname motiveren alsook een kort curriculum vitae toevoegen. Het curriculum vitae omvat naast de gebruikelijke persoonsgegevens informatie over hun academische en eventueel professionele carrière (maximaal 2 A4 pagina’s lang). In een bijgevoegde motivatiebrief van maximaal 2 A4 pagina’s lang lichten de kandidaten hun motivatie voor het volgen van de opleiding Klinische Neuropsychologie toe. Laatstejaars studenten (die op het ogenblik van kandidaatstelling het vereiste diploma nog niet hebben) mogen hun kandidatuur stellen onder de opschortende voorwaarde dat, indien zij worden geselecteerd, zij het diploma zullen hebben behaald voor de aanvang van de cyclus in oktober 2021. Het aantal deelnemers is gelimiteerd tot 35. De stuurgroep zal op basis van de schriftelijke motivaties en bij meerderheid van stemmen een selectie maken. Deze beslissing is niet aanvechtbaar en valt ten laatste op 14/07/2021. De geselecteerde kandidaten worden schriftelijk verwittigd en ontvangen een ‘toelating tot inschrijving’ waarmee ze zich voor de opleiding kunnen laten inschrijven.

Inschrijvingsbedrag cyclus 2021-2023

Het inschrijvingsbedrag voor de cyclus 2019-2021 (2 academiejaren) bedraagt  1650 euro PER academiejaar. De inschrijving gebeurt via de organiserende universiteit.  Hiervoor krijgen de geselecteerde kandidaten een uitnodiging om het inschrijvingsgeld te betalen.

Bij het tweede academiejaar zal de student opnieuw gevraagd worden zich in te schrijven en het inschrijvingsgeld te betalen.

Onderwijstaal

De onderwijstaal is Nederlands. Van de student wordt enige kennis van de Engelse taal verwacht. De vakliteratuur zal immers meestal in het Engels zijn.

9

Locatie

De opleiding wordt gepland op 28 vrijdagen gespreid over het eerste en tweede semester van twee opeenvolgende academiejaren. De volgende cyclus (2021-2022 en 2022-2023) zal worden georganiseerd door de KULeuven.

Vervolgens :

Cyclus 2021-2023 Katholieke Universiteit Leuven
Cyclus 2023-2025 Vrije Universiteit Brussel
Cyclus 2025-2027 Universiteit Gent
9

Reglement

Artikel 1
De postacademische/permanente vorming in de klinische neuropsychologie wordt interuniversitair georganiseerd door de deelnemende universiteiten. Elke cyclus loopt over twee academiejaren; tijdens het tweede studiejaar van elke cyclus kunnen er zich geen nieuwe studenten voor de betrokken postacademische/permanente vorming inschrijven.
De deelnemende universiteiten verbinden zich ertoe geen identieke postacademische/permanente vormingen aan te bieden zolang deze overeenkomst van kracht is.

Artikel 2
De deelnemende universiteiten treden beurtelings op als coördinerende instelling.

Artikel 3
De postacademische/permanente vorming wordt begeleid door een interuniversitaire stuurgroep die bestaat uit twee vertegenwoordigers van elke universiteit en twee gecoöpteerde leden uit de interuniversitaire contactgroep neuropsychologie (ICN). Tevens wordt een voorzitter aangeduid, behorend tot de coördinerende universiteit, voor een termijn van twee jaar. De vergadering van de interuniversitaire stuurgroep wordt geleid door de voorzitter. De voorzitter beheert het secretariaat van de postacademische/permanente vorming en duidt hiervoor een administratief verantwoordelijke aan.
De interuniversitaire stuurgroep wordt belast met het algemeen beleid en de algemene organisatie van de postacademische/permanente vorming, het verlenen van advies over de toewijzing van de onderwijsopdrachten en de jaarlijkse vaststelling van de begroting en afrekening, onder voorbehoud van de goedkeuring door de universiteitsbesturen van de deelnemende universiteiten. De stuurgroep neemt hieromtrent haar beslissingen met gekwalificeerde meerderheid van de aanwezige leden, met dien verstande dat van elke deelnemende universiteit één vertegenwoordiger zijn instemming met het voorstel van beslissing moet hebben gegeven.

Artikel 4
De coördinerende universiteit staat in voor de administratieve organisatie en logistieke ondersteuning van de postacademische/permante vorming, in het bijzonder voor het tijdig beschikbaar zijn van de studie-informatie en de informatieverspreiding.

Artikel 5
De onderwijsopdrachten worden toegewezen aan de leden van het academisch en wetenschappelijk personeel van de deelnemende universiteiten. Op basis van specifieke deskundigheid en op verzoek van de stuurgroep kunnen onderwijsopdrachten ook worden toegewezen aan personen die niet behoren tot het academisch en wetenschappelijk personeel van één der deelnemende universiteiten.
De vergoeding van de lesgevers wordt geregeld overeenkomstig de gangbare regels van de coördinerende instelling.

Artikel 6
De studenten schrijven zich in aan de coördinerende universiteit. De coördinerende universiteit zorgt voor de praktische financiële organisatie van de postacademische/permanente vorming, inbegrepen de werkingskosten van de stuurgroep. Zij int de inschrijvingsgelden en andere inkomsten. Het bedrag van het cursusgeld wordt jaarlijks opnieuw voorgesteld door de interuniversitaire stuurgroep en voor goedkeuring voorgelegd aan de betrokken universiteitsbesturen. Ook in het tweede jaar van de cyclus betalen de studenten het vastgestelde cursusgeld.
Bij het vastleggen van het inschrijvingsgeld, het toewijzen van de onderwijsopdrachten evenals het maken van andere onkosten ten behoeve van de opleiding, streeft de stuurgroep een financieel evenwicht na tussen de te maken onkosten en het totaalbedrag van de inschrijvingsgelden en eventueel andere inkomsten die ten behoeve van de vorming gebruikt kunnen worden. Aan het einde van elk werkjaar wordt het saldo overgemaakt aan de universiteit die in het daaropvolgende jaar volgens de voorziene beurtrol de coördinatie opneemt. De deelnemende universiteiten dragen dus gezamenlijk de financiële verantwoordelijkheid voor de vorming, terwijl de coördinerende universiteit zorgt voor de praktische uitvoering van de financiële beslissingen.

Artikel 7
De deelnemende universiteiten zijn ertoe verplicht het postacademisch/permanent vormingsprogramma steeds als een gezamelijk initiatief van de deelnemende universiteiten voor te stellen.

Artikel 8
De postacademische/permante vorming wordt bekrachtigd met een getuigschrift. Dit getuigschrift vermeldt de organiserende universiteiten en wordt ondertekend door de rector van de coördinerende universiteit.

Artikel 9
Behoudens andere afspraken zal de postacademisch/permanente vorming ten minste om de vier jaar geëvalueerd worden door de stuurgroep. Deze evaluatie omvat alleszins de volgende aspecten: de organisatie, het curriculum, de financiële toestand en regeling, de personeelsomkadering, het algemeen beleid van de cursus en de administratieve ondersteuning. Een verslag van deze evaluatie wordt overgemaakt aan de betrokken universiteiten.

Artikel 10
De overeenkomst is van onbepaalde duur. Elke deelnemende universiteit kan deze overeenkomst opzeggen door middel van een door de rector respectievelijk voorzitter aan elke andere rector respectievelijk voorzitter te richten aangetekend schrijven. Dit schrijven moet voor 1 februari worden betekend en wordt van kracht vanaf 1 oktober van het daaropvolgend academiejaar.

9

Stuurgroep

Prof. Dr. C. Lafosse
Paramedisch en Wetenschappelijk Directeur
Revalidatieziekenhuis RevArte
Drie Eikenstraat 659
B-2650 Edegem

KU Leuven, Fac. Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

Tiensestraat 101, 3000 Leuven

Prof. Dr. E. Dierckx
Vrije Universiteit Brussel
Faculteit voor Psychologie en Educatiewetenschappen
Cognitieve en Biologische psychologie
Pleinlaan 2
1050 Brussel

Prof. Dr. G. Vingerhoets
Universiteit Gent
Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen
Vakgroep Inwendige Ziekten – Laboratorium voor Neuropsychologie
De Pintelaan 185 4 K 3
9000 Gent

Prof. Dr. E. Thiery
Gedragsneurologische en Neuropsychologische Consultatie Gent
Koningin Fabiolalaan 79
9000 Gent

 

Prof. Dr. K. Spruyt
Vrije Universiteit Brussel
Faculteit voor Psychologie en Educatiewetenschappen
Cognitieve en Biologische psychologie
Pleinlaan 2
1050 Brussel

9

Contact

U kunt via onderstaande weg contact opnemen met de voorzitter van de stuurgroep van de opleiding.

Prof. dr. C. Lafosse (Voorzitter Stuurgoep)

Revalidatieziekenhuis RevArte
Drie Eikenstraat 659
6590 Edegem – België

Stuur een e-mail